28 juli 2007

MAANDAG 16.07.07
MIJN - Lieve’s- VERHAAL OVER TIBET, TOT HET EIND

Het vervelende is dat ikzelf mijn blog niet kan opvragen waardoor ik niet goed weet wat ik al schreef, wat niet…
Ik weet wel nog dat ik de laatste keer schreef vanuit Saga: daar had ik de was in een wasserij binnengedragen, goed nagegaan bij Frank of hij wel alles uit zijn broekzakken haalde… Toen ik later iets wou betalen in een winkel sloeg mijn hart over, wat niet zo moeilijk is op deze hoogte maar met sterke emoties erbij grenst het snel aan het levensgevaarlijke: MIJN portefeuille zat nog in MIJN broek! De lijkbleke toeriste rennend door de straat op zoek naar de wasserij zullen ze in Saga niet snel vergeten… Gelukkig hebben de Tibetanen alleen op bepaalde momenten van de dag water: ze waren nog niet aan de was begonnen.
Saga was ook de stad waar we eerst in een supersmerig hotel terecht gekomen, protest hoefde niet echt: de gidsen zagen dat dit niet kon: ze stuurden ons naar de nieuwe vleugel. Maar daar waren de mensen zo onvriendelijk, dat hebben we nergens meegemaakt. Daarenboven stond op het papier gemeld dat we water hadden van 06 uur tot 09 uur in de morgen maar toen wij onder de douche sprongen om 08 uur kregen we geen drup meer uit de kraan. De gidsen zelf sliepen wel in het oude hotel maar liepen ’s anderendaags krom van de vlooienbeten! Wij hadden moeten vechten om een ontbijt te krijgen, de gidsen hadden het opgegeven: ze vertrokken met honger! Dàg Saga… we vergeten je makkelijk: daar zorgen de prachtige landschappen met rivier én heuse, blanke duinen voor.
’s Middags aten we in een echt woestijndopr Paryang. Midden een gigantische vlakte stonden huizen, bleke huizen zoals het hoort in een woestijn, vaak ommuurd en ze waren op zijn nomadisch geplaatst: kris kras door elkaar, met grote ruimten tussenin. Her en der staan er tenten. Ook hier: vuil, geen water, geen elektriciteit. Al zijn er gemeenschappelijke toiletten,vde nomaden doen het liever op de straat, voor de deur… Ik denk aan China van 25 jaar geleden: hoe arm men toen ook was, ik was er steeds van onder de indruk hoe net men oogde. Het idee om in arme landen te zorgen voor een gemeenschappelijke kraan of wasplaats is niet slecht, zou hier toch beter ook toegepast worden. Maar nomaden hebben duidelijk het elk voor zich gevoel. We eten er heerlijke courgette, beetgaar gebakken, met gember en look: bij een Chinees, natuurlijk. Officieel luidt het dat we op een ongeregeld eetuur komen en dan koken de Tibetanen niet…
We genieten erg van dit dorp maar de jeep wacht, het zou beter zijn als we nog even verder reden.
We komen aan een rivier waar veel auto’s stilstaan: ze zijn de brug aan het bouwen, we moeten door het water. Gezien er een jeep met vijf mensen, scheefhangend in het water vastzit, durven velen deze oversteek niet nemen. Onze chauffeur stapt uit, schat de situatie als ongevaarlijk in en rijdt erdoor. Feilloos. Allen moeten hartelijk lachen als het eerste wat ik daarna vraag een plasstop is…
Onderweg hebben we nog een stop in een thee-tent. De gidsen bieden ons de plaatselijke thee aan die ik echt niet te drinken vind: veel boter en melk erbij. Jakkes, de geur alleen al maakt het mij onmogelijk beleefd te blijven. De tent is prima uitgerust: erachter staat er een parabool voor de televisie en een zonnepaneel voor de elektriciteit…
Lakba en Dawa genoten zo van hun theetje dat ze lachend verder rijden, normalerwijze doet Lakba dat alleen als hij mooi vrouwvolk zag… vreemd.
Wij kunnen lachen om de vele marmotten en de massa’s stof die via het raam op ons terechtkomen: de kleur van de koffers is niet meer te duiden.
Aan het checkpoint van de westelijke regio Ngari blijkt dat we een papier tekort hebben. Dit is wel even paniek. De gidsen onderhandelen geduldig. Als straf moeten we twee dagen een grenswachter meenemen in onze jeep: de man heeft een taxi nodig. Al snel worden we gered: er komt net een vrachtwagen langs die dezelfde kant uitrijdt maar sneller als wij de plaats waar de grenswachter wil zijn zal bereiken: daar zijn we ook mooi vanaf…
Aha, we hadden het kunnen weten: in het gasthuis waar we slapen, merk op dat we vanaf nu nooit meer van hotel zullen praten, werkt een mooi meisje. Vandaar dat we beter niet in het woestijndorp bleven, vandaar de mooie lach… ah jongen, het is je zo gegund! Trouwens, ik geniet er ook van vrouwelijk mooi: ’s avonds toen we met zijn allen in het salon van de familie zaten – restaurant, café, hotel, salon en slaapplaats van de familie zijn dikwijls één en dezelfde ruimte- kwam een prachtige, jonge, traditionele vrouw binnen. Ik keek mijn ogen nog meer uit naar haar kledij dan zij naar de mijne. Ze droeg een lange rok van omgekeerd schaap. Die was onderaan afgewerkt in stroken, gekleurd schapevachtleder. Erboven een schortje in aardetinten, en een felgroene bloes waar je alleen één mouw van zag want over de andere arm zat door een lange jas uit dezelfde ‘stof’ (omgekeerde schapevacht) prachtig afgewerkt in felle kleurstroken en met een zijden biesje. De ene arm in de jas, de andere eruit: de jas hangt dan half rond het lijf en wordt door een prachtige gordel vastgehouden. (met de jas zo half aan lopen de Tibetanen vaak) Aan de gordel hangt allerlei: een mes, een zilveren geldbeugel, nog wat decoratie. Het meisje droeg wel dertig ringen om de pols. En niet te tellen hoeveel halskettingen. Ze had een prachtig gebit, een prachtige lach. Ze zocht me, we praten met de ogen en de lach. Ik vergeet haar nooit.
Ik vraag me wel af wat die mensen in de winter dragen? Wetende dat het hier min veertig graden wordt. Je kan toch geen twee schapevachtrokken boven elkaar dragen?
Ze kwam uit een tent, vlakbij, wat gezelschap zoeken. Dat vond ze hier wel: Het lemen huis zat vol grenswachters… Het was bijna middernacht en het meisje van de zaak, samen met een grenswachter waren nog in de potten aan het roeren; al twee uur lang. Inderdaad, om middernacht aten ze.Dat scenario zagen we wel meer. Vreemd, ik zou gedacht hebben dat nomaden leefden volgens de wet van de zon…
De gids vertelt beschaamd dat hier noch water, noch elektriciteit is… wij vinden het alleen maar romantisch. Zeker nadat we al ondervonden dat indien het zo niet is, de prijs voor je elektriciteit een luidruchtige generator is die aanslaat rond tien uur: een luid gebrul midden de stilte van deze prachtige natuur op het moment dat je wil slapengaan? Neen, liever kaarslicht!
’s Nachts als we opstaan voor een plas, genieten we van een sterrenhemel zoals we nog nooit eentje zagen! Miljarden sterren, en een melkweg zo duidelijk.

’s Anderendaags eten we platte broden door de vrouw des huizes bereid, ze zijn niet slecht, ware het niet dat we haar met dezelfde handen waarmee ze ons voedsel bereidt de kachel zagen vullen met lappen koeiestront.
Voor het vertrek neem ik nog een foto van de meest intelligente wc die ik ooit zag: je moet tien treden op, daar doe je je drukje boven een ommuurd gat, en het resultaat valt de hoogte van tien treden lager… geen dak boven het hoofd, goed voor de geur; ook geen deur: iedereen ziet je zitten.
Na eindeloze vlaktes en enkele bergkammen duikt de Kailash bergvoor ons op. Wauw, een stompe sneeuwtop met onbesneeuwde horizontale kringen om hem heen. Je wilt er inderdaad zo omheen gaan cirkelen! Je gelooft ook meteen de legende: de Indiers wilden deze Heilige berg meenemen naar Indie. Vrouwelijke godinnen verleiden de Indiers terwijl anderen touwen rond de mount Kailach gooiden, de blote kringen die je ziet zijn er de sporen van, om hem terug te trekken…
Het laatste dorp voor de berg lijkt echt op een basiskamp. Zo chaotisch! Maar, leve de Chinezen: er is hier een badhuis! Ik erheen, natuurlijk! Al is het een soort container, al moet je roepen naar iemand aan de andere kant van de wand om de kraan open, dicht, warm, koud te draaien, al is de massage maar zo zo: ik geniet met volle teugen!
Hier is de sociale basis van de Chinezen duidelijk: er staat een elektriciteitscentrale gebouwd in 1999, er staan een vijftal gloednieuwe waterputten en een brug: allen al half afgebroken… verwarrend. Ook hier doet men hét liever in de straat dan in het toilet.
In een Chinees restaurant, wanneer Tibetaans alstublieft (de gidsen beloven het voor morgenvroeg), eten we lekker maar vooral: er is een erg toffe sfeer. We ontmoeten er jonge Tibetanen en een groep van vijf Europese jonge mannen die morgen ook de bergtocht maken.

DINSDAG 17.07.07
WAT ALS JE JE GELIEFDE ZIET IN MOOTJES HAKKEN
We moesten vroeg uit bed om vroeg aan de tocht te beginnen. Gezien Frank lijdt aan slapeloosheid, hier op deze hoogte, deed het opstaan pijn. Het Tibetaans restaurant verwachtte ons, nochtans moesten we hen uit bed halen bij aankomst, het vuur moest nog worden gestookt… Ik begrijp dat Tibetanen Chinezen als een bedreiging zien maar het is op commercieel gebied nu werkelijk niet moeilijk om Tibetanen voorbij te steken, stel je dan nog voor dat je een Chinees bent!
De tocht begint met een hoogtepunt: een groep Tibetanen begint ook aan de tocht: op handen en voeten! Rechtstaand brengen ze de handen op drie verschillende hoogtes, daarna gaan ze op de knieën en dan schuiven ze handen en lichaam, ze dragen hand-en kniebescherming, naar voor tot ze met het voorhoofd de grond raken, dan weer rechtop springen; een stap doen en zo weer naar de grond, drie weken lang! Dit zagen we al in Lhasa, het choqueert me. De waarde van een pelgrimtocht kan ik nog begrijpen maar dit is er zo over! En ik kan me niet van de vraag losmaken waarom mensen van bij ons vaak de islam zo bedreigend vinden maar alles wat met boeddhisme of dalai lama te maken heeft zo onkritisch omarmen…Al vind ik mijn denken ook terug in de mooie, romantische kant van het boeddhisme, de realiteit kan ik niet ontwijken.
Maar dat zijn te grote bedenkingen op deze mooie plek, ik beloofde mezelf niet teveel te denken en vooral te genieten. Na een moeizame klim, de hoogte slaat in je benen als tien Hoegaarden, komen we op de plaats waar de doden in stukken gehakt worden en aan de gieren en honden gegeven worden. Netter dan diep onder de grond door wormpjes opgegeten worden. Zeker zo op deze hoogte, dicht bij de wolken: zo mag het mij verlopen. Al kan ik me moeilijk voorstellen dat ik er zit op te kijken als mijn geliefde in mootjes gehakt wordt… wellicht zijn ze lang bezig met hakken en snijden, het zijn professionele hakkers die dit doen, het moeten kleine stukjes zijn want het enige wat we nog vinden is een stukje kaaksbeen en een rugwervel. Gestold bloed, messen, bijlen en kledingsstukken, dat zie je veel: ook een omgekeerde schapevachtjas met kleuren…
Ik bekom van deze cultuurschok in een aquarelletje. Het is een begenadigd moment want ik doe iets met mijn verf dat ik nooit eerder deed en het geeft in een korte tijd een knap resultaat. Leuk is dat!
Ergens in de klim houdt een Tibetaanse vrouw me tegen. Ze neemt mijn sjaal van mijn hoofd. Ze houdt hem tegen mijn hart en dan tegen mijn schaamheuvel en klampt zich vast aan me, kust mijn hand…
Om 15u30, na 7 uur trekken, komen we aan in ons ‘slaapkot’. Niet meer anders te noemen. Wat ben ik gelukkig dat ik mijn eigen slaapzak mee heb: een zak van pure zijde nog wel! (Ooit, toen de zijde nog betaalbaar was in China, kocht Frank meters zijde voor me. Ik wist niet wat ik ermee aanvangen moest en kreeg op een dag het idee er een slaapzak van te maken, mooi met de hand dichtgenaaid) Dat is nogal een zicht om die glimmende maagdelijk witte, alhoewel: cremekleur is beter, zak te zien liggen tussen die aarden vloer, lemen muren, stro dak op een ijzeren geraamte of in een houten bak…
We voelen ons niet echt moe en gaan de gletsjer zoeken gelegen voor de Kailash berg: twee uur klimmen, zegt de gids. Die hoogte werkt werkelijk verlammend. Heel erg traag stijgen we, toch gaat mijn milt protesteren. Ik denk dat ik moet opgeven maar ga steeds tot om dié hoek, en dan nog een hoekje verder, en nog eentje tot ik, jawel de gletsjer zie. Prachtig! Frank gaat tot tegen de gletsjer. Ik ga hier schilderen. We spreken een sein af: indien het heel erg mooi is dichtbij moet hij me wenken. Ik schilder deze knappe Heilige reus: niemand mag hem beklimmen: zo heilig is ie. Maar ik moet ondervinden dat je hem ook niet mag schilderen! Een onverwachtse, erg plotse en erg hevige rukwind blaast al mijn spullen weg! Mijn aquareldoos neemt een verre duik, mijn blok waartussen mijn mooie aquarel van deze morgen zit vliegt de lucht in, OVER de rivier, weg, alles weg! Ik sta verstomd te kijken en ben al blij dat Frank er niet is: hij zou erachter springen, het water in! En wat moet ik nu doen, gillen, wenen, roepen? Ik doe niets en kijk en kijk. Ik kan mijn ogen niet geloven. Uiteindelijk bekijk ik de stompe, besneeuwde schoonheid met horizontale lijnen en beslis dat het misschien wel tijd was voor een offer… het doet me haast deugd.
Frank wenkt me. Ik klim verder. Ja, het is er erg mooi, gletsjers zijn fascinerend.Veel later vraagt hij me hoe mijn schilderij meeviel. Het is zijn buurt om met open mond naar mijn verhaal te luisteren. Maar toch kan ik het niet echt laten, ik vraag de dame mooi of ik toch niet een klein souveniertje mag hebben aan dit uniek moment: ik schilder en hou mijn blad stevig vast… (verf en blok papier kon ik recupereren)
Zeer gelukkig om wat we zagen dalen we af.
Het slaapkot is luxueus in vergelijking met de eettent, lees: leef- en slaaptent voor de hele familie: wel zo’n zeven man. De zetels waar wij op zitten, waar zij op slapen zijn gestapelde keien met doeken over. We hopen dat het eten goed doorkookt is…
Wij gaan vroeg slapen, in de tent gaat het leven door tot 02.30.

WOENSDAG 18.07.07
24 JAAR EN HIER DOODVALLEN DOOR DE HOOGTE
Het is tijd om mijn noodransoen aan te spreken: Albran met gesneden appel, overgoten met wat er is: thee. Een brei die ik thuis geen blik zou gunnen, smaakt me hier als een ‘godenmaal’, toepasselijk. Frank eet de plaatselijke tsampa: een soort ongebakken deeg maar dan zonder eieren.
We slepen ons de eerste heuvel op. Lastig! Eenmaal boven vertelt de gids dat het de berg van de zonde was: hoe moeilijker je er op geraakt, hoe meer zonde je in je lijf hebt…
Een meisje spreekt me aan: met duidelijke gebarentaal legt ze me uit dat er gisteren een man doodgevallen is, even verderop, boven aan de kam. Hij was 24 jaar, een buitenlander. Mijn hart slaat om, ik denk aan die vier jonge mannen die we eerder ontmoeten…
We klimmen verder. Dicht bij en op de hoogste pas is de sfeer euforisch: mensen klimmen zingend, hoe mooi, lachend zeggen ze telkens weer; tachidalei wat ik duizend keer beantwoord. We worden zo welkom gegeten, een man geeft ons een stuk van zijn kostbaar eten dat ie meesleurt en zelf zo nodig heeft: een stukje keiharde zure kaas of boter… ik doe alsof ik het eet maar gooi het later weg, dit zit werkelijk vol bacteriën… het spijt me. Een meisje geeft me verderop een stuk suiker…
Ontelbare gebedsvlaggetjes in felle kleuren wapperen in de wind. De wind zal de positieve gebeden en gedachten verspreiden van de 5650 meter hoogte tot…bij jou, indien je goed luistert….
We dalen af.
Op de middag eten we in een tent, nog vuiler als gisteren, we dachten dat het niet kon.



Schilderachtig of gewoon erg vuil?





We houden het bij een kom prefabnoedels. De mensen rond ons zien er zeer ‘schilderachtig’ uit.
We stappen weer door een eindeloos dal, zo mooi, je hebt er alles voor over om hier te mogen lopen. Het stoort me niet dat het veel verder is dan we dachten. Af en toe moeten we wijken voor een groep yaks. Al dan niet geladen. Normalerwijze hadden wij ook een yak gehuurd als drager maar het bleek dat je steeds drie yaks moest huren, want een yak is een kuddebeest en daarenboven betaal je meer voor een yak als voor een man, en de Tibetanen waarderen het niet zo erg als je het een beest gunt en hen niet: zo komt het dat wij een man-drager hebben. Niet zo exotisch en wat gênant maar hij is lief en daarenboven zijn wij maar al te blij dat we het niet in ons hoofd haalden om zelf onze rugzak te dragen.
’s Avonds aan de slaapplaats, ontmoeten we terug de jonge buitenlanders. Eén van hen komt me vragen of ik een pijnstiller voor hem heb: zijn borst, rug en arm doet zo’n pijn, hij is totaal in paniek. Zonder dat hij het hoort vraag ik zijn vrienden of ze het verhaal van de gestorven Indier hoorden. Ze wisten van niets. We spreken af om te zwijgen. Ik geef de jongen onze laatste hoogtepillen, morgen dalen we, dus we hopen dat wij zonder kunnen. We praten nog veel, zijn gedachten worden erdoor afgeleid, hij is ook een gezellig prater en hij voelt zich gelukkig al beter. Dagen later ontmoeten we hen nog eens: gezond en wel: oef…
Op deze slaapplaats logeren een groep Indische pelgrims, goed georganiseerd met Nepalese keuken en koks: ze verwennen ons met soep en popcorn!

Indisch-Nepalese soep en popcorn op ons terrasje in de bergen...



We klimmen even een heuveltje op om het klooster te bezoeken. De monnik oogt arm, loopt blootsvoets maar is de enige die een parabool heeft voor zijn televisie en stromend water. Hij wil ons zegenen: we drinken water waarvan ik nog lang de nasmaak van koper proef.
’s Avonds wordt er in de woonruimte samen gedronken en gezongen. Ik voel me voor de zoveelste maal heel erg gefrustreerd dat wij geen zangcultuur hebben: kon ik op hun vraag om iets te zingen maar ingaan!

DONDERDAG 19.07.07
BADEN IN HEILIG WATER, IN HET PARADIJS
Om 6u30 zien we al tientallen pelgrims voorbij onze slaapplaats passeren, met een zaklamp: die zijn al heel vroeg vannacht vertrokken aan ons eindpunt, hun beginpunt, om onze driedaagse in één dag te kunnen maken. Boeddhisten , Hindoes en Jain lopen zoals wij kloksgewijs, Tibetaanse Bönn – een soort animisme waar nog wel 20% van de bevolking hier zou in gelooft- lopen tegen de klok zodat we ze kruisen.
We horen dat de gestorven Indier op de berg was met zijn ouders. Zoals velen hadden ze hun huis verkocht om deze heilige tocht te kunnen maken! (Ze betaalden nu 9000 yuan – 900 euro- om het lijk naar beneden te brengen: 6000 voor de yak, drie maal 1000 voor drie dragers. Onze Tibetaanse gids reageert verbolgen op die buitensporige prijs.)
Met noedels (ik) en tsampa (Frank) in onze maag beginnen we aan ons laatste stuk: een afdaling met nog meer stijgen dan verwacht door een buitengewoon mooi dal. Frank vindt dat ik vuur in mijn lijf heb. Ja, het gaat goed!
Na aankomst rijdt de gids ons naar het Manasarovar-meer. Een heilig meer een veertig kilometer verderop. Eigenlijk bedoeld om er uit te rusten, net voor de terugkeer en het eind van de reis…
Maar wat een paradijs als afsluiter?! Een droom. Het meer en de omgeving is wondermooi, het gasthuis een sprookje: erg authentiek maar toch netjes, de gastfamilie: een érg knap, vriendelijk koppeltje met vier kinderen. De man schildert tangka’s, hij ziet er uit als een echte artiest.

Te gast bij een erg proper Tibetaans gezin aan hetr meer.




Daarenboven brengt de gids ons naar ‘een natuurlijk’ badhuis met warm water. Het doet ons denken aan een situatie die we ooit in Ijsland meemaakten en waar we erg veel plezier aan beleefden. Hier was het wat beschaafder… het natuurlijk water liep in een versleten gebouw met een kapot glazen dak. In het gebouw: vijf ‘badkamers’. Maar geen enkele badkuip is lekvrij. Toch baden wij heerlijk:gaten werden met sokken dichtgestopt…
Ik breng mijn avond schilderend door aan het meer, tot ik bevries en Frank me binnenhelpt.

VRIJDAG 20.07.07
DE RAAF VERTELT EEN VERHAAL

Een groot voordeel van dit soort logeren is dat je niet dichter bij het Tibetaanse leven kan komen dan we nu doen. Elk logeren betekent eten, rusten, lezen, zitten in de leefruimte van de familie. Zo ontbijten we, eten we terwijl we zien dat de Tibetanen geen eetcultuur hebben: elk eet waar en hoe hij wil. Tussendoor spelen ze met hun gsm: elk heeft er zowat één. Of met een gameboy: tuut, tutu tuut, in the middle of nowhere. De vader geeft na het eten onderwijs aan zijn zonen. De knappe, jonge moeder breidt wat, ze heeft rugpijn. Ze heeft vanmorgen vroeg, samen met haar dochter al liters, dus kilo’s water uit het meer gehaald. De rand van het meer is vuil, dus hebben ze het water eerst door een gaas laten filteren. Er was nochtans een man en twee oudere broers in huis. Wat heb ik de vrouwen hier al zien sjouwen en werken, zelfs in de bouw, aan de straat… de gids zei:’de vrouw is de os van de man’: ik weet nu dat hij het meent. Het choqueert me, het choqueert me ook dat dit plaatje ook nooit getoond wordt als het over Tibet gaat…Los hiervan stel ik me vaak de vraag: wie leefde zo? Mijn ouders toen ze klein waren? Neen, misschien mijn overgrootouders… ja, het land en zijn natuur is hard voor de mens, maar zijn geloof ook: mensen worden te arm gehouden. Ik moet telkens denken aan wat Frank me vertelde: tien jaar geleden vroeg hij een Tibetaanse monnik in Belgie: “Chinezen brengen jullie onderwijs en ziekenhuizen, jullie hadden dat niet, dat is toch positief”. De monnik antwoordde: “dat had ons volk niet nodig, onze geest was gezond”
Ik was blij dat ik deze morgen om 7 uur zo in mijn schilderen verdiept was dat ik dat gesleur van die vrouw en dat meisje niet opgemerkt heb. Het genot van de prachtige zonsopgang, het proberen vatten in schilderen, snel snel want de kleur verandert zo snel, was enorm. Ik voelde me heel erg gelukkig…
We gaan stappen. Rond het meer zou ons vier à vijf dagen kosten, ik wou dat we die hadden. We moeten nu blij zijn met één dag, een eind en terug.
Een magisch moment dat ik nooit of te nimmer vergeet: eerst wandelen we aan de rand van het meer. Verderop klimmen we even: naar de stupa die we hogerop zien staan. En dan komt het: we komen de heuvelrug op en wat ligt daar letterlijk te schitteren achter de stupa en een eindeloze vlakte: de top van de Kailash! De zon beschijnt de rechterflank waardoor hij goudkleurig schittert maar door een wolkenspel verloopt dat licht heel snel naar de linkerkant. Werkelijk adembenemend mooi. Ik huil. Ik schilder: het doet goed.
Als ik bij Frank kom vraagt hij me waar de ruines van het klooster zouden staan en waar ik naar kijk, naar de schapekeutels? Maar het geeft niet, dat blijken uiteindelijk maar woorden te zijn: ook hij blijkt het intens beleefd te hebben, dit mooie spektakel.
Als we terug aan het meer komen wil hij doen zoals de Indiers: baden in het heilig meer om de zonden van het hele leven te zuiveren. Mij lijkt het te koud maar hij verleidt me en ik ben erg blij dat ik me liet verleiden: het was heerlijk! Als we uit het water komen, komt een raaf aangevlogen, zette zich heel dicht bij ons, op een rots en begon te praten…
We eten wat, rusten en… duiken terug het water in!
We keren terug op de bergrug. Veel, veel verder dan we dachten omdat we een grote omweg moeten nemen om kloven te vermijden. Maar ook hier deert het niet: het is zo mooi, daarenboven ontdekken we een plaats waar lijken verbrand worden. Bij gebrek aan hout gebruiken ze autobanden. Later zegt de gids dat Indiers dat doen, we geloven het niet want er lagen rondom Tibetaanse kleren.
Zij geloven ons niet als we vertellen dat we in het water gingen: ook daarvan blijken velen dood te vallen: te koud. Ik bedenk: te weinig oefening, en Tibetanen zijn gewoon echt bang van water…
Het was werkelijk een prachtige dag, en het vreemde was dat we de hele dag niemand zagen.
We vragen de familie een Tbetaanse maaltijd voor ons te maken. Dit blijkt hetzelfde als gisteren te worden: rijst met groeten, bloemkool: Lieve ik moet aan je denken!, waar veel kerrie bij is. Nu is er ook een beetje gedroogd yakvlees bij.

ZATERDAG 21.07.07
GEITEN ZIJN BANG VOOR DE REGEN

We moeten om 6u30 vertrekken. De rit om terug in de bewoonde wereld te geraken, in Lhasa, zal twee dagen heel intens rijden worden, geen alternatief. En zeggen dat we straks de afstand Shenyang-Tielrode kunnen overbruggen in 20 uur…
Ik vind het heerlijk om in het donker te vertrekken en stilletjes te zien hoe het licht zijn weg zoekt.
Een groot gedaante op een steen, vlakbij, het blijkt een gier te zijn… Monsterlijk groot, klauwen en ogen om van te schrikken.
Een wolk die als gevangen aan een bergtop blijft kleven, ik zou willen blazen.
Het oranje op de bergketen, sneeuw zou dat heten.
Het wordt licht en veel, veel minder magisch, wel mooi.
We rijden de weg die we reden, omgekeerd. Ik vind dat fijn, geeft me tijd om te verwerken.
We geraken niet in het stadje waar een hotel, jawel, op ons wacht. De baan is wegens werken na zes uur ’s avonds afgesloten. We slapen weer in een ‘slaapkot’: het stinkt er vreselijk naar benzine: ik zal er ’s morgens met barstende hoofdpijn van wakker worden.
Daarenboven regent het. Armoede in de regen is nog eens zoveel treuriger! Bijna een anti-climax ware het niet dat we nog warm hebben van de herinneringen.
Geiten schuilen voor de regen op vensterbanken, in deurportalen, onder luifeltjes: het is duidelijk: ze houden ook niet van regen!
We gaan ons boek lezen bij de familie: het is er gezellig warm, buiten is het behoorlijk koud, en er is een leuke sfeer: de oudste dochter krabt de rug van vader, de kleine loopt rond en over de zetels heen om uiteindelijk bij pa halt te houden en haar hoofd onder zijn onderhemd te steken en op zijn blote dikke buik te liggen, de vrouwen koken,… ze storen zich niet aan ons. Om 22u30 begint hun avondmaal.

ZONDAG 22.07.07

Het is zondag: weerom heb ik hallucinaties naar de pistoleetjes van onze bakker, in Tielrode. Nu omdat we helemaal niet kunnen ontbijten. We vertrekken om 7 uur, over ‘bumpy roads’ natuurlijk en houden pas om 11 uur halt bij een Chinees restaurant waar we noedels eten. Ja, dat eerste pistoleetje met jonge kaas zal smaken!
De bumpy road zal snel geschiedenis worden: we rijden langs kilometers wegenwerken.
Rond de middag denk ik dat we er misschien wel nooit zullen geraken, het is oneindig traag en ver. Maar ik ben blij dat ik nooit in slaap val, het is te mooi! Te uniek.
Wat verandert de wereld bruusk eenmaal we weer in landbouwgebied terecht komen! Veel meer rijkdom, groen, glans, kleur…
In Gyantse trakteren we de gidsen op een afscheidsetentje. Leuk dat we hier nog eens terug zijn, dit is een tof stadje.
Dichterbij Lhasa zien we veel feesttentjes bij de boeren en in de boomgaarden staan: blijkt dat men feestviert omdat het regent! De moesson-regens zijn eindelijk aangekomen.
We worden geconfronteerd met een zeer doeltreffende manier van snelheidsbeperking: een controlepost geeft je op punt A een papiertje met je gegevens van je wagen op en een tijd: voor die tijd mag je niet op punt B aankomen of je krijgt een bekeuring…
Om 8u30 komen we in Lhasa aan. We hebben weerom dezelfde mooie kamer met zicht op de Jokhang, als toe we aankwamen, als dat niet prachtig is!

Hotelkamer met zicht op de Barkhor kora (pelgrimstocht) rond de Jokhang tempel, de belangrijkste van Lhasa




MAANDAG 23.07.07

Een zalige dag in Lhasa: nog eens rond de Potala wandelen en de ogen laten rollen bij alles wat rondom ons gebeurt. Op een dakterras lekker gaan eten, een slaatje en allerlei, dit kan in Lhasa, zelfs de pannekoek met chocolade als dessert ontbreekt niet. Op souvenirjacht gaan: erg verleidelijk omdat er hier veel toffe, zotte spullen uit Nepal zijn. En lachen: een vrouw vraagt me waar ik mijn sjaal kocht: ik zeg: ‘in Shenyang’. Blijkt toch wel dat zij uit Shenyang komt én studeerde in onze universiteit!
Mails opvragen, lang geleden en leuk om lezen!
En… discussiëren met iemand van het reisbureau: blijkt dat ze hier in Lhasa niet genoeg van het geld kregen dat wij in Peking betaalden voor ons reisagentschap in Chengdu…ingewikkeld maar zo was het georganiseerd. Eigenlijk was deze situatie ons probleem niet maar op zijn Chinees wordt daar uren en uren verhit over gepraat.. Ze kennen echter Frank nog niet die jaren zaken deed met Chinezen met één houding: ik heb meer geduld dan jullie … morgen volgende zitting!.
We dolen door deze zotte, chaotische oude stad tot in de late uurtjes. Zoals in vele plaatsen hoef je maar één straatje in te slaan, vlak bij een drukke straat, vol pelgrims of vol toeristen en je komt in een stille, andere wereld.

DINSDAG 24.07.07
‘ZE ZIJN TOCH GELUKKIG?’

We bezoeken de oude gevangenis. Hier wordt de situatie getoond van hoe de gevangenen behandeld werden toen de daila lama hier nog aan de macht was, dus toen het volk helemaal in functie van het klooster moest werken. Een lijfeigenschap dat tot 1959 duurde. Onvoorstelbaar eigenlijk.
Later ontmoeten we een Nederlandse vrouw die zo gechoqueerd was over die nieuwe ‘kwaadaardige trein’ waar wij mee gekomen zijn. Ik zei dat het misschien de Tibetanen uit de armoede zou helpen. Ze was enorm verontwaardigd. Toen ik zei dat Tibet toch niet zo arm kon blijven, dat dit te erg was zei ze: maar de mensen zijn gelukkig, weten van niet meer. Heeft zij dan al die parabolen voor de televisie niet gezien? Al die vrouwen met kromme, pijnlijke ruggen van het sjouwen, de kinderen die aan je plakken en ‘money’ roepen van als ze je zien, mensen die geld vragen voor medicijnen? Dit is echt niet zo eenvoudig. Ik heb begrip voor hun schrik voor de consumptiegerichte houding van de Chinezen, maar zo kan het ook niet blijven.
Tot ons vertrek, om 15 uur, verloopt de dag met discussiëren over dat geld dat wij betaalden en zij niet ontvangen. De Chinese vrouw van het plaatselijk reisbureau wil de plaatselijke gidsen niet uitbetalen, ook het hotel niet waar we logeerden. Zeker niet echt bevorderlijk voor de relatie tussen de Chinezen en de Tibetanen! Zelf ons maakt ze constant uit. Frank zijn houding is wijs: niets begrijpen en gewoon verder lezen. We hebben alleen gezegd dat zij verantwoordelijk zullen geacht worden indien we ons vliegtuig zouden missen. Om het te halen moeten ze ons om 15 uur wegbrengen. Ze blijven discussiëren, onder elkaar, de politie kwam er al bij, nog vele anderen, wel zo’n vijftien man en wij maar verder lezen in ons boek! Om 15 uur gaan ze allen weg, behalve onze chauffeur… oef. De man, het hotel en iedereen die aanwezig was geneerde zich tegenover ons, behalve de Chinese, daar was echt geen huis mee te houden.
Om 23uur landen we in Peking. Om 01 uur vinden we een bed. Dat deed goed.

WOENSDAG 25.07.07
IK KUS… LEONIDAS PRALINES

Een dagje Peking. Wat ronddolen in oude hutongs. Er zijn er van allerlei aard: zij die nog echt zijn als ooit, zij die verbouwd zijn tot yuppy – trendy woon- en restaurant toestanden, zij die tot neerleggen gedoemd zijn, zij die al half in puin liggen, zij die helemaal in puin liggen met ervoor grote flashy panelen waarop de toekomst blinkt en glinstert…
Om 17U30 hebben we een afspraak met een groep Belgische vakbondsafgevaardigden op studiereis door China: ze willen onze ervaring horen. We eten samen en daarna wordt er gepraat. We hebben erg veel te vertellen. We hopen dat ze het interessant vonden.Ik heb het doosje Leonidas dat ze voor ons meebrachten gekust!
Daar we op voorhand niet wisten hoe laat die afspraak doorging, konden we onze trein niet reserveren. Blijkt dat alle treinen, trage en snelle volzet zijn. Zo verlieten we om 21 uur de bijeenkomst om naar de bushalte te rijden, via het hotel waar we de koffer moesten ophalen. Maar we rekenden buiten het verkeer in Peking! Dat is erger om tien uur ’s avonds dan op de middag! Geen vijf minuten hadden we over: de bus vertrok om 22U30! Een slaapbus, ook weer een ervaring. Ik was wel even in paniek toen ik merkte dat we er geen water konden kopen. De chauffeur was een heel erg lieve man, hij zag dat ik ongerust was en hij hield ergens halt, er werd een winkel voor mij geopend: ik had mijn water. Dit is ook Chinees: als ze willen helpen ze je, hoe dan ook!

DONDERDAG 26.07.07
DE SINT OP BEZOEK

Na een rit van tien uur komen we aan in Shenyang. Het is prettig ‘thuis’ komen. Daar ben ik blij om, dat zal het terug naar hier toch makkelijker maken als ik straks uit Belgie weer naar hier kom. Over twee dagen vertrekken we…
Eigenlijk was het grappig: bij aankomst kruisten we Jennifer, een collega die hier zes jaar woonde maar nu Engelandwaarts vertrok. Zij liet een doos achter voor ons met haar halve hebben en houden dat ze niet kon meenemen. Zo leek het wel alsof de sint gekomen was terwijl wij op reis waren!
Het werd een dag van wassen en plassen, van heerlijk cocoonen, van spaghetti maken met saus uit blik als verjaardagsmaal voor Frank en het nog gezellig én lekker vinden ook! Vooral als je het kan afronden met… leonidas pralines!

VRIJDAG 27.07.07

We gaan de stad in, nog één en ander kopen en gaan uit eten. Ik was vergeten hoe luidruchtig chinezen zijn, met hoeveel ze zijn, hoeveel lawaai en chaos er is in de straat, en ... hoe elegant ze eruit zien! Wat een stad!

Elegantie?



Het onthutsende is dat we hier na meer dan een half jaar nog niet één plekje, één restaurantje of terrasje hebben waar we naar verlangen, dat we als ‘ons’ plekje kunnen aanvoelen… dit is echt Shenyang! Chinezen hebben daar geen behoefte aan, dus het is er niet. Zij hebben hun plekje in het park waar ze dansen, mahjong spelen of kaarten. Indien we in Peking of Shanghai of om het even welke andere stad zouden wonen waar buitenlanders zijn zouden we dat wel hebben, maar hier is het er niet. Als er iets komt voor de buitenlanders, verdwijnt het binnen de twee maanden: er zijn geen buitenlanders en… Chinezen moeten er echt niet van weten. Je kunt alleen in een stad als deze, ene zonder buitenlanders, echt weten wat Chinezen belangrijk vinden! De etage boven een bakkerij waar we ooit koffie dronken en een gebakje aten? Gesloten, afgelopen: we zaten er toen alleen…
Maar ook nu pas zie ik hoeveel het in de twintig jaar tussen toen ik het voor het eerst bezocht en nu, geëvolueerd is. Het had eenvoudigweg als Tibet kunnen blijven. Dat zou misschien sympathiek geweest zijn als toerist om zien maar daar stopt het bij. Als je van Tibet hier terecht komt, kom je in elk geval een welgesteld land binnen. Daar kun je alleen respect voor hebben, zeker voor een land met zoveel mensen, hoe doen ze het…
Het is hier inmiddels erg warm en vochtig. De natuur is groener dan we ooit zagen. De lotusbloemen puilen uit de vijver. De muggen pesten me: ik gaf nochtans de anti-muggenbus van Jennifer weg: ik had tot nu hier nog geen mug gezien. Te snel geweest!
Morgen in pakken en dan een lange reis, zodat zondagavond Belgie zijn twee burgers tijdelijk terugheeft: nu ik de prins ontmoet heb, pas ik mijn vocabulaire aan… tot in Belgie en zeker: tot in september, dan zijn we hier terug: gelukkig want we voelen dat hier nog heel veel te beleven valt!


Bang voor de zon in Shenyang!

26 juli 2007

Tibet, het dak van de wereld. Indrukwekkend is te zwak gezegd. Ik heb er intens van genoten ; nu komt de wroeging: de hele tijd geen blog bijgehouden! De lezer vergeve mij, ik ben nooit goed geweest in het uitdrukken van sterke emoties.

We rijden helemaal naar het bijna onbewoonde westen. Eindeloze vlakten en valleien op 4000, 4500 meter; hoogtewoestijnen; bergpassen boven 5000 meter. We zitten constant boven de top van de Mont-Blanc! Honderden, duizenden pieken boven de 6000 meter; boven 6500 meter begint de eeuwige sneeuw; wie hier een naam wil hebben moet al boven de 7000 meter uitsteken! Het duizelt in ons hoofd, letterlijk en figuurlijk hoogteziekte.

We wachten een namiddag en een voormiddag in het Everest basiskamp – op 5300 meter- tot het wolkengordijn eindelijk enkele minuten wegtrekt en de massieve reus nog eens 3600 meter boven ons, op geen 15 kilometer afstand in al zijn schitterend wit tegen de blauwe achtergrond aftekent; onveergetelijke minuten… wie daar probeert op te klimmen moet wel gek zijn…

We wandelen drie dagen rond de berg Kaiklash, de mythische Meru berg, ‘slechts’ 6700 meter maar wel heilig voor alle grote Aziatische godsdiensten; een steile piramide met de vier zijden precies in de vier windrichtingen; nog nooit heeft een mens een voet op de top gezet; we passeren duizenden pelgrims op de flanken, hallucinant! Zij doen ons traject rap-rap in 15 uur, in één dag, toch diegenen die lopen; de buikkruipers doen er drie weken over. De dag voordien viel op het hoogste punt van deze trek, 5700 meter, nog een jonge Indiër dood: een Tibetaanse vrouw legde dit met gebarentaal uit aan Lieve, net voor wij aan dit punt kwamen: haar gesticuleren was niet mis te verstaan. Op deze trek krijgen we ook eindelijk een ‘open-lucht-begraafplaats’ te zien; op een hoog punt worden de lichamen in stukjes gekapt en achtergelaten voor de gieren en honden; wij vinden er alleen nog de kleren, de gebruikte messen/bijlen (een bijl wordt nooit herbruikt), een stuk kaaksbeen en een grote plek gestold bloed.

Enkele dagen later wandelen we rond een stuk van het al even heilige Manasarovar-meer, op 4800 meter, en ontmoeten de hele dag geen levende ziel! Al even beklijvend, met aan de horizon rondom besneeuwde 7000-ers .We laten ons verleiden tot een heilig bad in het ijskoude water, er is toch niemand die ons hier ziet in ons blootje; hiermee spoelen we alle zonden van dit en enkele vorige levens van ons af.

Altijd sceptisch tegenover godsdienst, ging ik vooral naar Tibet voor de extreme natuur. Ik werd op mijn wensen bediend. Maar er viel niet aan de godsdienst te ontsnappen! Ik heb tempels en kloosters gezien voor de rest van mijn leven en misschien zelfs de volgende. Ooit waren er bijna 7000 en zat 5% van de bevolking achter de muren sutras te lezen, te mediteren of te debateren. De Chinezen hebben na 1959 de talrijke lijfeigenen die moesten werken om dit apparaat in stand te houden, vrijgelaten. Hoeveel kloosters er nu nog overblijven kwam ik niet te weten, in elk geval nog meer dan genoeg, rond de Kailash berg alleen al vijf, rond het meer idem-ditto. Is het de armoede en de moeilijkheden om in deze streek te overleven, die de bevolking zo (bij)gelovig gemaakt hebben? Het Tibetaans boedhisme is erg beinvloed door het vroegere volksgeloof in allerlei geesten. De goden, monsters en boeddhas lopen in de honderden, duizenden. In de kloosters houden de lagere monniken zich bezig met het blindelings aframmelen van de sutras, al dan niet met muziek; de hogere geestelijken, de lamas met mediteren, debateren en filosoferen over de ‘grote waarden van het leven’ of waarover de geschriften van de dalai lama en al zijn voorgangers-lamas ook mogen gaan: werken moeten zij niet doen. ( Ik moet denken aan het boek over Griekse filosofie dat ik juist las: ook de grote Griekse filosofen vonden dat werken te laag bij de grond voor hen was en ze dat beter aan slaven konden overlaten; dat was wel 2500 jaar geleden). Het gewone Tibetaanse volk is te dom om van die verhevenheden iets te kunnen verstaan, zij lezen de sutras niet – vroeger omdat ze niet konden lezen, nu omdat proberen begrijpen van het onbegrijpbare hen afgeraden wordt. Zij proberen vooral een upgrade van hun positie in een volgend leven te verkrijgen door nu goed te leven (ja, ze zijn een eerlijker en vriendelijker dan de doorsnee Chinees) en door zoveel mogelijk riten te vervullen: die riten bestaan uit het eindeloze draaien aan/met gebedstrommels, –molens, -kransen, het ophangen van zoveel mogelijk slierten gebedsvlaggen en het aanslepen van met gebeden gegraveerde stenen op ontoegankelijke plaatsen, het offeren aan de honderden verschillende boeddha’s van yak-vet, gerstebier en bij voorkeur geld; en het lopen van koras – rondjes rond heilige gebouwen, stenen, bergen, meren, gebedspalen enz: niet eén keer maar een heilig aantal keren, tot 103. De echte overtuigden kruipen soms kilometers plat op de buik, waarbij ze bij iedere stap opnieuw volledig rechtop gaan staan om zich dan terug in het stof te gooien. Arme drommels, maar het geeft niet: in een volgend leven komt die gezuiverde man/vrouw misschien terug als lama…

Het overgrote deel van Tibet is volgens mij onbewoonbaar: te hoog, te koud, te droog – ja, het regent/sneeuwt hier bijna nooit. Toch klampen hier en daar nomaden zich vast boven 4 of 5000 meter en overleven met hun yaks, schapen en geiten van een enkele grasspriet of een ander taai hoogte-onkruid. Ze leven zoals altijd al, eten vlees, drinken melk of boterthee, weven wol, koken en verwarmen met gedroogde yak-mest of geitekorrels, halen drinkwater uit een bergbeekje of meertje; steken hun broek af letterlijk waar ze staan en laten alle afval liggen waar het uitkomt. Gerst en aardappelen ruilen ze met de boeren uit de lagere valleien; zichzelf of hun kleren wassen is een onbekende luxe, en ze houden daar ook niet van. Is de moderniteit hier zichtbaar? Ja, ze hebben nu allemaal een zonnepaneel naast de tent en dus ’s avonds verlichting van een spaarlamp op een batterij en je hoort ze tot twee uur s’nachts nog praten. En naast hun paard staat een Chinese motorfiets. En de regering is begonnen met een vestigingsprogramma: ze betaalt de helft van de kosten indien de nomaden zich in een echt huis in een dorp willen vestigen; in alle bergdorpen wordt volop gebouwd, knappe huizen in Tibetaanse stijl…

Maar van een leien dakje verloopt het precies toch niet. In het dorpje Darchen, aan de voet van de Kailash berg, is in 1999 een stuwdammetje gebouwd met twee electrische generatoren op; het gebouwtje staat er vervallen bij, alle electronica kapotgeslagen, de kabels naar het dorp afgeknipt; in het dorp liggen putten die iets moeten te maken hebben met waterleiding of riolering: gevuld met afval; over de bergbeek ligt een betonnen brugje geschikt voor voertuigen: zonder opritten, je kan er te voet opklauteren en boven zit een verkoper van versgeslacht yakvlees.

De Tibetaanse boeren zitten op een hoopje in de enkele bebouwbare lager gelegen valleien van de Yarlung-Brahmapoetra en zijrivieren, lager dan 4000 meter, voor zover de bodem niet te veel uit keien bestaat. Hier en daar zie je een armtierig boompje. Daar vind je ook Lhasa-250.000 inwoners, en misschien een dozijn andere stadjes van meer dan 10.000 inwoners. Tussen de vijf-zes belangrijkste plaatsen loopt een asfaltbaan, in het hele westen is geen kilometer verharde weg te vinden. In het oosten van Tibet gaan de valleien over in diepe moeilijk toegankelijke kloven met bossen; verleidelijk voor een volgend bezoek want daar zijn we deze keer niet geraakt.

Aan de grote rijkversierde huizen te zien zijn sommige boerendorpen welvarend; maar stromend water of electriciteit is er niet; de vrouwen lopen elke dag met kruiken op de rug naar de beek of rivier, water wordt gekookt op parabolische spiegels van welk twee meter, die het zonnelicht concentreren; ’s avonds starten de welgestelden van het dorp hun generator op en kunnen ze dank zij hun satellietantenne TV kijken. Steden en stadjes zijn verdeeld in een oude stad in Tibetaanse bouwstijl, konische toelopende muren, witgekalkte muren met kleurrijke decoratie, en een moderne stad met veel Chinese invloeden. In zo’n oude stad hoef je alleen de electriciteits- en telefoonkabels weg te denken om terug in de middeleeuwen te stappen.

Alles wat modern is in Tibet komt uit China: wegen, electriciteit, communicatie, stromend water in de grootste steden, voertuigen, consumptiegoederen, eten… Toeristische gidsen vermelden expliciet: op deze plaats kan je iets gaan eten, want er is een Chinees restaurant; wijzelf moeten tot de laatste dag van ons bezoek met onze Tibetaanse en anti-chinese gids strijden opdat hij ons naar een Tibetaans restaurant zou willen brengen; iedereen lijkt ervan overtuigd dat de Tibetaanse keuken 1. niet te pruimen is voor Westerlingen 2. niet aan de allerelementairste hygiënische normen voldoet (het is waar, in de nomadententen waar we logeren zien we de kokkin met de hand de koeienstront in de kachel gooien en dan gewoon verder gaan met de bereiding van ons eten…)

Tibetanen hebben buiten spleetoogjes niets gemeen met Han-Chinezen; veel Chinese minderheden kan je niet of nauwelijks onderscheiden van een Han, maar hier gaat het wel degelijk om een ander volk, dat lange tijd bijna volledig geisoleerd van de wereld geleefd heeft. Dat Tibet vandaag bij China behoort heeft alles te maken met de doortastendheid van de Qing keizers. Die stuurden vanaf 1720 hun ambtenaren naar Lhasa om formeel het bewind van de dalai lama te superviseren; in de 19e eeuw liet de Russische tsaar zijn oog op Tibet vallen – ja kijk maar op de kaart, het ligt niet zover van het toenmalige tsarenrijk af!- en begin twintigste eeuw vielen de Britten binnen, veroverden Lhasa en wilden Tibet bij hun Indische kolonies inlijven; de Qing-keizers bleven bij hun verworven rechten, Russen en Britten moesten bakzeil halen. In 1913 liet de dalai lama weten dat hij het gezag van de pas uitgeroepen moderne Chinese republiek niet zag zitten, maar alle staten in de wereld bleven de souvereiniteit van China over Tibet erkennen. Het duurde tot 1951, drie burgeroorlogen en een wereldoorlog later, voordat de regering van China voldoende stabiel was om haar gezag in Tibet opnieuw te gaan herstellen. Dat gezag werd en wordt nog altijd door alle staten in de wereld erkend; wat sommigen vandaag als de ‘Chinese invasie van 1951’ beschrijven was toendertijd niet eens een debat in de UNO waard.

Een deel van China zijn is één zaak, goed overeenkomen met de Han-Chinezen is nog een andere zaak. Wij konden alleen maar via tolken met de Tibetanen spreken, maar toch. Dat de Chinezen de 7000 kloosters decimeerden door hun lijfeigenen en dus hun voornaamste bron van inkomsten af te pakken, daar spreekt niemand nog over, het moet hen logischerwijze veel meer vrienden dan vijanden gemaakt hebben. Daarentegen blijft de bittere smaak van de culturele revolutie, zelfs na veertig jaar: proberen om het geloof uit te roeien door de prestigieuze tempels en kloosters te sluiten en in sommige gevallen te vernielen, was blijkbaar meer dan één brug te ver in deze regio. De Chinezen hebben dat ook wel begrepen en achteraf subsidies gegeven om alles wat van waarde is te herstellen, hier wordt trouwens nog volop mee verder gegaan.

Halverwege de jaren 90 lanceerde China, dat altijd maar sneller begon vooruit te gaan, een grootscheeps langetermijn plan om de ‘achtergebleven gebieden van het westen’ te helpen bij de modernisering. Als we het over achtergebleven gebieden hebben, dan staat Tibet wel op de eerste rij. China heeft intussen enorme sommen geinvesteerd in het gebied; het spoor Beijing-Lhasa ligt er nog maar een jaar; de luchthaven van Lhasa is gloednieuw; in het moderne deel van Lhasa kan de toerist nu viersterrenhotels vinden; overal wordt koortsachtig gewerkt aan de verbetering van het wegennet en de telecommunicatie; geen bergpas zonder dat op de dichtstbijzijnde top een antennemast stond! Op de meest verafgelegen en idyllische plaatsen kwamen we plotseling terecht in een gigantische wegenbouwwerf van tientallen, soms honderden kilometers. Een stad als Lhasa kan mee met elke moderne Chinese stad. Het kon niet anders, de verbetering van de leef- en economische omstandigheden trekt Chinese gelukszoekers aan; in restaurants, winkels, zaakjes allerhande zie je Chinese uitbaters; ook dat geeft vandaag redenen tot spanning; gewiekste, hardwerkende Chinese zakenlui in concurrentie met meer scrupuleuze en minder actieve Tibetanen, er hoort geen tekening bij. Al ziet het er naar uit dat de economische boom van de rest van China ook naar hier aan het overslaan is en er voor iedereen voldoende brokken zullen zijn. Mijn gidsje van de Lonely Planet is maar een jaar of drie oud, het is onvoorstelbaar hoezeer het al verouderd is, wat er allemaal al bijgekomen is aan mogelijkheden.

Sommigen zien zelfs de trein als een bedreigende zwarte draak die de cultuur van Tibet zal kapotmaken, anderen zien het als een mogelijkheid om Tibet eindelijk uit de zwarte armoede te halen…

Wij verpozen een uurtje op het grote plein tegenover de Potola in Lhasa. De Potala is een burcht gebouwd in de 17e eeuw door de dalai lama toen hij voor het eerst naast godsdienstige leiderschap ook het werelds leiderschap in zijn macht kreeg. Het gigantisch gebouw op de heuvel verplettert letterlijk de arme drommels die aan de voet woonden. De Chinezen hebben er tegenover een soort Tian An Men plein in mini-versie aangelegd, met een monument van 35 meter hoog voor de bevrijding. Het monument is niets vergeleken met de burcht. Maar de symboliek ontgaat ons niet: in Beijing confronteert de moderne kolom voor de bevrijding op Tian An Men het oude keizerlijke regime van de Verboden Stad. Hier confronteert het Chinese monument de burcht van de paus-koning. Moderniteit tegenover middeleeuwen; toeristen trekken fotos van de burcht. Ik maak een foto van het monument, …

14 juli 2007

ZATERDAG 14 juli 2007
Heel even de mogelijkheid en de tijd vinden te bloggen. Ik ben er blij om want vandaag beleefde ik net een van de prachtigste dagen van mijn leven: we reden de hele dag met de jeep over 'bumpy roads' naar het westen van Tibet. Het landschap is zo fenomenaal! De grootsheid met geen pen te beschrijven, ook niet in een aquarel te vatten wat ik de laatste dagen meermaals probeerde: te wijds, een niet te vatten licht, te veel kleurschakeringen op de bergen, te monumentale wolken... ja, vooral het eindeloze kan je niet vangen op zo'n klein blaadje...
Destijds in Ysland was ik onder de indruk van de uitgestrektheid van dat land, nu zou ik die landschappen al klein vinden (sorry zusje!). Maar wat vooral een prettige vergelijking is als ik aan Ysland denk, en ik denk er inderdaad veel aan, is dat ik daar heel sterk ervaarde op een aardkorst te lopen: het gevoel met de bodem van de aarde was daar heel sterk. Hier voel ik constant dat ik op de top van de wereld loop.
Kale, woestijnachtige landschappen zijn mijn ding: ze geven me leven! (bomen heb ik liever in de stad) Indien er spiritualiteit 'moet uitgevonden' worden kan dit nergens anders dan hier ontstaan zijn... Je voelt het werkelijk.
Ik heb vandaag mijn moed samengeraapt en onze chauffeur en gids gevraagd toch even hun mond te houden: die twee tateren met elkaar al vier dagen non stop... zelfs als we uitstappen om die stille eindeloosheid te bewonderen. Ze begrepen het gelukkig.
Eergisteren stonden we op 5300 meter hoogte in een landschap dat ons DE Everest moest tonen. Maar dat is een dame die zich duidelijk niet zo maar prijs geeft! Wolken alom. Ook de weg erheen was niet direct zoals we het ons voorstelden: we reden tussen vrachtwagens en graafmachines omdat men de weg naar de Everst aan het aanleggen is, tegen de Olympische spelen moet die er liggen. Nu, het in de mist de berg opkruipen met onze jeep tussen al die vrachtwagens had ook wel iets...
Het basiskamp voor de klimmers dat Frank erg graag wou zien, was ook eerder minnetjes: daar het momenteel regenseizoen is zijn er geen klimmers en was er dus geen ambiance in het kamp.
Gelukkig had IK de dag gered door bij de wandeling naar dat basiskamp verloren te lopen! We kwamen op een bergrug terecht waardoor we in de plaats van in het kamp terecht te komen er 300 meter boven stonden. Daar vingen we zo'n plotse windvlaag dat we het verhaal van de gids geloofden: vorig jaar stierven drie klimmers, niet door de hoogte maar omdat ze weggewaaid werden...
Vanop ons hoog punt keken we naar een erg mooi landschap, met een knappe gletser, maar geen Everest te zien, spijtig...
We beleefden een gezellige maar koude avond in onze nomadentent: onze slaapplaats voor die nacht. De yak-dekens gaven ons wel de nodige warmte voor de nacht.
Gesproken van de hoogte: ik heb er wel last van. Hoofdpijn en bij elke klim snel vermoeid. Frank heeft eerder last van slapeloosheid en gebrek aan eetlust. We kochten ons medicatie. Hoe doen die klimmers dat, nog eens 3500 meter hoger?
's Morgens beleefden we het wonder! We stonden vertrekkens klaar, de chauffeur keek achterom en zag het: het gordijn ging open! De EVEREST in haar volle glorie! Wat een volume! Zo had ik het me niet voorgesteld... We sprongen vlug in een paardekar om ons dichter te brengen. Ons knolletje was een mager oud beestje, tegen dat we aankwamen had de dame terug sluiers om. Maar dat gaf niet. Het beeld staat op ons netvlies en we waren het trage knolletje nog dankbaar ook: het landschap rondom was zo knap, zo mysterieus... en de drijver: een mooie jongen met een typische lange haarvlecht waarin rode strengen en juwelen verwerkt waren. Daarenboven zong hij de hele rit op een knappe Tibetaanse manier, het mocht blijven duren.
Zo kwamen we gisterenavond, net als vandaag via prachige landschappen in een 'stadje' terecht.
Maar over die dorpen kan ik niet zoveel kwijt. Ze verwarren me. Die dorpen van semi-nomaden zijn troosteloos! Zo arm. Nog nooit zo'n vuile mensen, zo'n vuile kinderen gezien. Dit is werkelijk een land vol contrasten... De natuur is hier te hard voor de mens. Daarenboven is het Tibetaanse geloof bijlange niet zo romantisch als het bij ons voorgesteld wordt. Ik heb er nu heel veel vragen over. Wat te denken van doodarme sloebers die uren, dagen over de grond kruipen, letterlijk, om te bidden en te eren? Het is me teveel om dat te zien. En ja, het doet goed om weer eens authenticiteit te zien, een echte cultuur, uiteraard, maar ik zie ook dat als er wat civilizatie is, in de vorm van een school, en straat, een ziekenhuis, een winkel waar ze toch IETS verkopen dit van de Chinezen komt... ook al horen ze het hier niet graag en ook al zijn die gebouwen ook niet de mooiste. Het zijn vooral de fanatieke gelovigen die erg anti-chinees reageren. De landbouwers en nomaden bijvoorbeeld die de helft van een nieuwe woning terug betaald krijgen van de Chinese regering klagen niet. Het is een moeilijk probleem maar ik ervaar zelf veel meer spiritualiteit in deze natuur dan bij een bezoek aan een klooster of tempel. Het is er zo overdreven voor mijn maat!
De eerste week bezochten we vooral tempels. Bijzonder en geloof me vrij: ik genoot met ingehouden adem. Geuren en evenveel kleuren! Zalig!
Maar nu we de tempels achter ons lieten en de natuur instappen gaat de wereld helemaal voor me open. Bij het begin van ons bezoek brachten we al een nacht door in een nomadentent aan een meer op 5000 meter hoogte. Over twee dagen vertrekken we op onze driedaagse trektocht rond de berg Kailash. Ik ben een beetje bang voor de kou, we klimmen tot boven 5600 meter; door al de hitte van Shenyang verloren we een beetje onze realiteitszin. Maar drie dagen 'wat frisser' overleven we wel. Ik ben erg benieuwd!
En jawel: ik begin nu zelfs naar het thuisland te verlangen! Eindelijk. Verlangen naar de bekende gezichten, de verhalen, het weerzien... maar intussen vergeet ik beslist niet te genieten met volle teugen van deze weerom unieke ervaring!

8 juli 2007

8 juli: ja, we zijn wel degelijk in Tibet!
Tsedang ligt naar lokale normen op de bescheiden hoogte van 3100 meter, aan de oever van de Brahmapoetra, hier de Yarlung.
We zijn een week vertrokken uit Beijing, maar wat een ervaringen in deze extreme uithoek van China!
De trein Beijing-Lhasa reed juist een jaar geleden voor het eerst; we vertrokken zondagavond en kwamen 46 uur later al aan na een tocht van meer dan 4000 kilometer. De eerste ochtend worden we wakker in Xian geleidelijk wordt het leemplateau dorrer, we klimmen langzaam, op hoge snelheid welliswaar, langs de bijrivieren van de Gele stroom. Wanneer rond halfnegen de zon ondergaat zitten we op 2100 meter in de weinig bevolkte provincie Qinghai, we zien in het halfduister nog het grootste zoutmeer van China liggen; buiten enkele stadjes wonen hier alleen nomaden, Mongolen, Tibetanen,.... We zullen deze nacht grotendeels door de woestijn rijden. Jammer dat we daar niets van zien. Om halfzes 's morgens komen we aan in Golmud, op 2800 meter, de laatste echte stad tot Lhasa. Golmud voorbij klimmen we meteem het Qinghai-Tibet plateau op, gemiddelde hoogte 4500 meter; gedurende meer dan 1000 kilometer blijven we boven 4000 meter, bijna 900 kilometer loopt de trein over permafrost - eeuwig bevroren terrein. Om op het plateau te geraken moeten we eerst nog via een pas de legendarische Kunlun bergen, met pieken boven 7000 meter voorbijgeraken. De wagonverantwoordelijke laat ons allemaal een papier ondertekenen dat we fit en gezond zijn voor deze trip, de zuurstofkranen worden opengedraaid en voor wie dan nog problemen heeft worden individuele zuurstofmaskers uitgedeeld - in onze wagon gaat het op 60 man gelukkig maar om twee personen. Het plateau doet zijn naam eer aan: een eindeloze bijna-vlakte, soms bijna woestijn, soms enkele grassprietjes, soms veenachtige mossen. De weinige riviertjes hier lopen stuk voor stuk naar nergens...In de verte zien ze de pieken, hier en daar besneeuwd boven de 6000 meter. Kort na de middag steken we de grens tussen Qinghai en Tibet over; deze keer brengt een pas op 5100 meter ons over de Tangula bergketen, ook die heeft een aantal kleppers boven 7000 meter. We zitten hier in de hoogste trein ter wereld. Ten zuiden van de Tangula kleurt het landschap een ietsje groener, we zien kudden schapen, geiten en yaks, tenten van nomaden - in Tibet en Qinghai leven nog 2 miljoen nomaden. Hier en daar ook een dorp met Tibetaanse huizen - de stijl is van verre te herkennen, bidwimpels op de daken...; de regering moedigt de nomaden aan zich vast te vestigen. Halfweg Lhasa stopt de trein nog een keer, in the middle of nowhere. Nergens iets te bekennen dat op een stadje zou kunnen lijken. Beneden 4000 meter zien we de eerste boeren; in dit klimaat wordt koolzaad en gerst gekweekt, de velden zijn knalgeel. Lhasa zelf ligt op 3700 meter aan een bijrivier van de Yarlung. We komen er aan met 10 minuten voorsprong op het schema! De trein stroomt leeg, het splinternieuwe station in moderne Tibetaanse stijl stroomt leeg. Integenstelling met onze verwachting wacht niemand ons op! We telefoneren naar het reisburo, de dame verklaart in het Chinees dat ze van niets weet. Uiteindelijk staan we nog met vier man rond te drentelen, wij en twee al even radeloze Tibetanen. Ze hebben een bordje bij: Mrs. Elishieff. Of wij dat soms zijn? Natuurlijk niet... of toch? Wij zijn immers toch Bilishie (Belgen), dat lijkt al wat op Elishie, en met wat goede wil staat die ff op het eind er voor fufu, Chinees voor mijnheer en mevrouw? Onze Tibetanen excuseren zich voor het probleem, of beter gezegd, leggen ons uit dat het de schuld is van die domme Chinezen op het bureel en daarmee is meteende toon gezet voor de volgende dagen.
Ze brengen ons naar een plaatselijk hotelletje, binnen de oude stad, slaapkamer met uniek zicht op de ingang van het de Jokhang tempel, de Tibetaanse Sint-Pietersbasiliek, waar de pelgrims tot diep in de nacht rondjes draaien en de plaveien gepolijst zijn van de duizenden keren dat ze zich plat op hun buik uitstrekken. Fascinerend begin, fantastisch hotel; dat de ratten met hun geknaag in het vals plafond ons 's nachts wakker maken moeten we er maar bij nemen, we ontdekken trouwens dat de beestjes wegblijven wanneer je de ventilator van de badkamer laat draaien.
Over onze belevenissen in en rond Lhasa en nu rond Tsedang vertellen we een volgende keer, daar we nu moeten afsluiten. Er zijn trouwens zoveel geuren, kleuren, indrukken en gedachten dat het zelfs goed zal doen het te laten bezinken. Dit is weerom een zeer bijzondere reis...
Morgen begint onze tocht naar het westen die ons via het basiskamp van de Everest naar de heilige berg Kailash moet brengen.
Indien we niet meer in de bewoonde wereld komen om te bloggen: op 17,18 en 19 juli trekken we op de Mount Everest, daar kijken we erg naar uit. Hopelijk hebben we er geen last van de hoogte. Enkele dagen terug waren we aan het prachtige Namtso meer, gelegen op 4800 meter en daar speelden hoofdpijn en braaknijgingen wel mee. Intussen kochten we hoogtepillen...